SACRAMENTSDAG 2021

PREEK SACRAMENTSDAG 2000/2021 Berkel en Pijnacker

 

Beste mensen,

 

Ik heb eens een gescheiden moeder bezocht die vertelde dat er terwijl zij aan het boodschappen doen was op klaarlichte dag bij haar ingebroken was. Ze hadden kans gezien zo’n beetje het hele huis leeg te halen. Niet alleen alle elektrische apparatuur zoals de tv en video waren verdwenen, maar ook alle videobanden. Bij deze videobanden zaten ook de banden met opnamen van de kinderjaren. Onvervangbare herinneringen aan de jaren dat ze nog gelukkig waren. Dat ze die dure dingen kwijt was, kon haar niet zoveel schelen, maar dat die videobanden gestolen waren had haar diepbedroefd en haar vertrouwen in de mens diep geschonden.

Herinneringen zijn iets heiligs. Veel meer waard dan materiële dingen.

 

Zo moeten we ook tegen de sacramenten aankijken. Het zijn herinneringen aan Jezus. Heilige herinneringen.

We hebben geen foto’s van Jezus. Maar wel een teken van zijn mededeelzaamheid. Een heilig teken, een sacrament.

 

Verhaal van Leonardo Boff: ”Ik was nog een kleine jongen. Ik weet het nog goed. Elke week was het weer spannend als moe­der weer brood ging bakken.  Wij mochten er natuurlijk bij helpen. Eerst meel halen op de markt. En gist. Dan moest de keukentafel vrij gemaakt worden. Vervolgens werd het fornuis heet gestookt. De kinde­ren moch­ten het hout voor het fornuis halen en het vuur opstoken. De ene keer lukte het sneller dan de andere keer. Soms kwam er ruzie: de één meende het beter te kunnen dan de ander en de ander moest het maar aan de eerste overlaten. Moeder moest dan wel eens ingrijpen om ons tot bedaren te brengen. Ze waarschuwde dan: als we ruzie bleven maken, dan zouden we niet van het brood mogen eten. Maar als het vuur goed brandde waren we ape­trots. Mijn moeder trok een schort aan en dan begon het. Kneden, kneden en nog eens kne­den. Het was een heel werk. Aan het eind stond het zweet op haar gezicht. Wij stonden ademloos toe te kij­ken.  Uit­einde­lijk werd het deeg in stukken verdeeld en in de broodvorm gekneed. Tenslotte werden de stukken op de hete bakplaat gelegd en ging er een witte doek overheen. Soms pikte ik stiekem wat beslag weg en bakte dit apart op de hete plaat van het fornuis. Al spoedig hing er een heerlijke geur in huis. Als het brood klaar was was iedereen blij. Elk kind kreeg een warme brok brood.

Dezelfde avond kwam het op tafel. Moeder sneed het nooit: ze brak het. De eerste keer dat we er van aten was telkens weer een feest. Moeder moest er voor waken dat we nog wat overlieten voor de volgende dag.

 

Maar dat was vroeger. Nu wonen de kinderen allemaal op zich­zelf. Sommige hebben zelf kinderen. En allemaal een druk bestaan. Geen tijd om zelf brood te bakken. Nauwelijks tijd om samen te eten. Maar moeder leeft nog en natuurlijk komen we af en toe bij haar op bezoek. Ze woont nu op een flatje . Maar nog steeds bakt ze brood, nu in een gasoven. Niet elke week, maar als ze weet dat we op bezoek komen. En als ze dan brood gebakken heeft gaat er een brood naar alle broers en zussen. Allemaal vinden ze moeders brood heer­lijk. Ze breken het zoals moeder dat deed. Als de kleinkinde­ren dat brood zien roepen ze in koor: “Hoi, hoi, we krijgen oma’s brood”. Dan zijn ze snel aan tafel. En terwijl het gegeten wordt wordt er over oma gepraat: hoe het met haar is, hoe ze dat doet – brood bakken -, hoe het vroeger ging, wat de ouders allemaal van haar geleerd hebben, wat ze samen meege­maakt hebben. Steeds weer kwamen de verhalen over vroeger los.

 

En telkens komt ieder voldaan van tafel af. Niet alleen omdat hun maag weer gevuld is, maar omdat ze weer fijn samen gegeten hebben. Ze voelen nu weer hoezeer we met elkaar verbonden zijn – één familie -. Ze zien al weer uit naar de volgende keer, want moeders brood heeft toch iets meer……..”

 

Ik ken families die altijd bij elkaar kwamen op de verjaardag van vader en moeder. Dan overlijden ze. De kinderen spreken af eens per jaar een reünie te houden om niet uit elkaar te vallen. Bijvoorbeeld op de sterfdag van één van de twee. Zo blijft de onderlinge verbondenheid.

 

Communie betekent: gemeenschap, communicatie, contact, verbondenheid met anderen. Op de allereerste plaats met de H. Drieëenheid. Op de tweede plaats met elkaar. Die verbondenheid moet in elke viering tot stand komen. Het is daarom tegenwoordig mogelijk en zelfs aanbevolen om in elke viering waaraan men deelneemt ter communie te gaan. Dus ook als men op één dag meermaals de eucharistie meemaakt.

 

Vergelijkingen schieten nog tekort. De diepte en rijkdom van het sacrament kunnen we nooit geheel bevatten, omdat God zelf opdracht gegeven heeft dit te vieren.

Pogingen om dit sacrament te definiëren, zoals de transsubstantiatieleer, hebben alleen maar verdeeldheid gebracht, want het menselijk denkvermogen is te klein om Gods liefde te analyseren en te begrijpen.

Het volstaat te doen wat Hij opgedragen heeft tot zijn gedachtenis. Met dankbaarheid, vreugde en eerbied.

En in liefde voor elkaar, in het besef dat we één familie zijn.

 

 

SLOTWOORD

Anekdote over Philippus Neri. blz.157 “Heiligen rond het altaar”

Beste mensen, we knielden neer voor het heilig sacrament. We zouden eigenlijk na de mis buiten op het kerkplein moeten knielen voor elke kerkganger die te communie geweest is omdat hij Christus in zich draagt. En dan ook de volgende dag en de rest van de week, omdat Christus uw broeder of zuster niet verlaat. Misschien gaat dat wat te veel vragen van uw lichamelijke conditie, maar laten we dan als conclusie trekken dat we na het ontvangen van de communie niets anders meer kunnen dan onze medechristenen liefhebben.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *