de Heilige Geest, de opfrisser

THEMA: de Heilige Geest, de opfrisser

PREEK VAN DE WEEK      PINKSTERZONDAG  JAAR C 2022

 

LEZINGEN:        EERSTE LEZING:  Handelingen 2, 1-11; PSALM  104 TWEEDE LEZING: Romeinen 8,8-17;               EVANGELIE: Johannes 14,15-16+23-26

 

Je bent ergens op bezoek en de gastheer of vrouw biedt wat te drinken aan. Ze neemt de bestellingen op en bij jou komend vraagt ze: “Waar kan ik u een plezier mee doen”. Je antwoordt: “Wat fris”. Zij antwoordt: “O.K. Ik zal wel even het raam open zetten”.

 

Ja, met warm weer verlangen we allemaal naar verfrissing. Een koele wind, maar ook een koel drankje. Het is een mooi beeld van een psychisch proces. Allemaal zijn we wel eens gespannen, vermoeid of opgewonden, druk, gestresst, geërgerd of verhit. Of we twijfelen aan een goede afloop, we zijn onzeker, ontmoedigd, we twijfelen aan ons geloof, aan God.

In al die gevallen zoeken we naar ontspanning, bemoediging, inspiratie, vernieuwing, een frisse wind door onze geest. Soms gaan we daarvoor letterlijk even uitwaaien. Naar buiten om een frisse neus te halen. We laten de wind door onze haren wapperen, we zoeken verkoeling in de zee of een plas of we stappen een halfdonkere middeleeuwse kerk binnen of we gaan rond een kampvuur of de open haard zitten. En terwijl we lopen of zwemmen of  zitten of knielen komt onze geest tot rust, tot bezinning, tot nieuwe ideeën, op orde.

 

(Gouda: ik was eergisteren bij de opening van een nieuw gebouw van de Arkgemeenschap in Gouda. Daar was een snoezelruimte ingericht. Dat was een ruimte met wat gekleurd licht, een ligbank en een verlichte waterbak met luchtbelletjes. Bewoners die wat gespannen zijn kunnen daar tot rust komen).

 

In moderne ziekenhuizen, verpleeghuizen, grote scholen en zelfs winkelcentra vind je tegenwoordig een stiltecentrum.

 

Door rust, ontspanning, stilte en natuur geven we de Heilige Geest de kans in ons te werken.

 

Bij de leerlingen van Jezus op Pinksteren, Maria, de apostelen en overigen, waren er duidelijke tekenen die de komst van de Heilige Geest zichtbaar, voelbaar, hoorbaar maakten: een gedruis alsof er een hevige wind opstak, iets dat op vuur geleek. Maar ook zonder deze tekenen kan de Heilige Geest in ons tot leven komen en gaan werken. Want we bezitten allemaal de Heilige Geest Nou ja, bezitten is niet het goede woord, want wij hebben de Heilige Geest niet als een slaaf in bezit. Het is eerder andersom: de heilige Geest wil ons bezitten. Hij woont in ons.  Paulus schrijft in zijn brief aan de Romeinen: “Uw bestaan wordt niet beheerst door zelfgenoegzaamheid, maar door de Geest, omdat de Geest van God in u woont, die in u verblijft”.

 

Onze geest is een stukje van Gods Geest. In het scheppingsverhaal staat dat God zijn levensadem inblies in de eerste mens. In het Hebreeuws wordt voor levensadem het woord Roeach gebruikt. En het woord Roeach betekent ook: geest. Geest en levensadem waren in het denken van de joden hetzelfde. En in een verschijningsverhaal staat ook dat de verrezen Christus over de leerlingen blies en daarbij zei: “Ontvangt de Heilige Geest” (Johannes 20,22).

 

In psalm 104 (de tussenzang) staat: “Neemt Gij van uw schepselen hun geest/de ademtocht weg, dan komen zij om en keren terug naar de aarde, Maar zendt Gij uw geest/uw ademtocht, dan komt er weer leven, dan maakt Gij uw schepping weer nieuw”. En in het alleluiavers: “Zend uw Geest en wij zullen worden herschapen en gij zult het aanschijn der aarde vernieuwen.” In de Groot Nieuwsbijbel is het zo vertaald: “Ademt u over de aarde, dan ontstaat er weer leven en krijgt zij een nieuw gezicht”. (vers 30) Steeds worden de woorden geest en adem door elkaar gebruikt en worden er toespelingen gemaakt op het scheppingsverhaal. De Pinkstergeest herschept de aarde, de mensheid.

 

Maar die goddelijke Geest in ons dringt zich niet op. We moeten stil worden om naar Haar te luisteren. Als we dat niet doen, dan kan gemakkelijk de kwade geest bezit van ons nemen. Want die hebben we als erfenis van onze dierlijke afstamming ook in ons. Men noemt dat ook wel de erfzonde. Paulus schrijft daarover: “Als gij zelfzuchtig leeft, en uw bestaan wordt beheerst door zelfgenoegzaamheid (in de willibrordvertaling: ‘het vlees’), zult gij zeker sterven. … Uw lichaam blijft door de zonde de dood gewijd, maar als de Geest van God in u woont, dan zal Hij ook eenmaal uw sterfelijk lichaam levend maken. .. Wij zijn erfgenamen om te delen in Jezus’ verheerlijking”.

Als we ons laten leiden door Gods Geest in ons, dan zijn we kinderen van God en erfgenamen van het eeuwige leven. Dan mogen we God “Abba, Vader” noemen, zegt Paulus. En Jezus zegt: “Als iemand mijn woord onderhoud, dan zullen mijn Vader en Ik tot hem komen en verblijf bij hem nemen”.

 

Maar hoe lukt het ons om ons aan Jezus’ woorden te houden? Hoe kunnen wij Jezus’ geboden onderhouden? Hoe kunnen wij de woorden van Jezus goed begrijpen als ze gezegd zijn in een taal en cultuur van 2000 jaar geleden? Jezus zelf geeft het antwoord: “De Heilige Geest die de Vader in mijn naam zal zenden, Hij zal u alles leren en in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb”.

 

Daarom kunnen we de Heilige Geest ook de Verfrisser noemen, de Opfrisser. Hij frist ons geheugen op. Hij geeft verfrissing als we vermoeid, bezweet, gespannen zijn.

Als we God om een verfrissing vragen, dan zal Hij niet het raam open zetten, maar de Heilige Geest zenden. Die kwam ook binnen in de zaal van het Laatste Avondmaal op het Pinksterfeest, terwijl alle deuren en ramen gesloten waren.

Daarna vlogen alle deuren en ramen open omdat de christenen hun bezieling naar buiten wilden brengen.

 

Johannes de XIIIe zette bij de aankondiging van het Tweede Vaticaans Concilie zijn raam bij de St.Pieter open en zei dat er een frisse wind door de kerk moest gaan waaien!

Laten wij dan de ramen en deuren van ons hart open zetten voor de Heilige Geest. Dat Hij ook ons leven mag vernieuwen.

 

Kom Heilige Geest, vervul de harten van uw gelovigen en ontsteek in hen het vuur van uw liefde. Zend uw Geest uit en alles zal worden herschapen en Gij zult het aanschijn der aarde vernieuwen. Amen.

Alleluia.